| Olympische Spelen |
De Olympische Spelen Boogschieten is één van de oudste sporten op de Olympische Spelen. Al in 1900 werden er al wedstrijden gehouden. Er werden toen in vele disciplines geschoten, waarbij alleen mannen mee mochten doen. In de twee Spelen hierna mochten vrouwen wel meedoen. In 1920 werden de voor die tijd laatste Olypische Spelen gehouden waarbij boogschieten op het programma stond. Vanaf 1972 werd boogschieten weer opgenomen in het Olympisch programma. Eerst werd er alleen door mannen en vrouwen individueel geschoten, later (vanaf 1988) ook in teams. Nederland Nederland is geen groot land op het gebied van boogschieten, maar wist toch 9 keer mee te doen van de veertien keer dat boogschieten een onderdeel was van de Olympische Spelen. Tot twee keer toe behaalde Nederland een medaille in het boogschieten. In 1920 won het Nederlandse team de eerste gouden medaille. In de Olympische Spelen van 2000 in Athene haalde Wietse van Alten een bronzen medaille bij de mannen. Er wordt tegenwoordig op de Spelen geschoten op een afstand van 70 meter op een 1,22 meter groot blazoen. Uiteraard in de buitenlucht. De schutters mogen alleen een recurveboog gebruiken en hebben 40 seconden per pijl. Er zijn in de loop van de geschiedenis meerdere systemen gebruikt. Bij de Spelen van 2008 in Peking werd gebruik gemaakt van het systeem met rechtstreekse uitschakeling, oftewel het knock-outsysteem. Zuid-Korea was op deze Olympische Spelen het beste land bij het boogschieten. Zij mochten in totaal 2 gouden, 2 zilveren en één bronzen medaille meenemen. Bron: FITA-site en wikipedia
|
